Door op 21 maart 2013

Jeugdzorg mag kwalitatief niet achteruitgaan

Jeugdzorg gaat een belangrijke verantwoording van de gemeente worden. Deze zorg is van essentieel belang en betekent dé investering naar de toekomst toe. De jeugd heeft recht op een veilige en stabiele omgeving, waarin de jeugd optimaal kan opgroeien.

De ingeboekte bezuiniging van 15% mag zeker niet de kwaliteit van de jeugdzorg aantasten. Goede jeugdzorg is een verstandige investering. De echte financiële winst valt te halen door efficiëntie, door verkokering en dubbele werkzaamheden uit te bannen, de loodzware bureaucratische laag in te dammen met al haar procedures, indicaties en bestuurslagen

Het beleid , dat de ouders als eerstverantwoordelijke ziet en dat het zelf leren redden propagandeert, mogen niet doorslaan. Men moet wel bedenken, dat het niet op tijd inspringen onproductief werkt en zeker niet voldoet aan het principe ‘voorkomen is beter dan genezen’. Daartoe hoort ook ‘het erger voorkomen’, dus het tijdig hulp bieden. Aan dat beleid wordt niet voldaan door het hebben van wachtlijsten. Het eindeloos moeten zoeken naar en leuren om hulp dient in de nieuwe opzet verleden tijd te zijn. Men mag de tijd niet verdoen op het moment, dat het nog mogelijk is met ‘een lichte zorg’ een kind in zijn gezin of op zijn school te houden. Een kind wil niet zijn vertrouwde en huiselijke omgeving opgeven. Als de situatie het toelaat dan liggen daar ook de meest positieve mogelijkheden voor de verdere ontwikkeling van het kind.

Goed in beeld dienen te blijven de gezinnen met ouders met psychische of lichamelijke klachten, met verslavingsproblemen en die kampen met ernstige schulden. Overigens bij kindermishandeling liggen meestal dergelijke problemen juist daaraan ten grondslag, omdat zo’n gezin onder voortdurende spanning staat. Daarom is men er niet om alleen de mishandeling aan te pakken, maar komt het er nog meer op aan om de achterliggende problemen op te lossen.

Wat ook aandacht behoeft is het seksuele misbruik, dat in een gezin kan voorkomen, maar ook kunnen andere opvoeders en hulpverleners in de fout gaan. Het zijn de vertrouwenspersonen die hun positie ernstig misbruiken. In hoeverre wordt het beleid daarop afgestemd?

Een ander punt is hoe voorkomen we, dat kinderen het slachtoffer worden als de ouders gestraft worden. Ik denk hierbij aan strafkortingen of aan detentie. Het blijft een slechte zaak als daardoor de kinderen mede de negatieve gevolgen dragen. Kinderen moeten zo min mogelijk last ondervinden bij een straf, die voor hun ouders bedoeld is. Dit dient een aandachtspunt te zijn. Soms is spoedige opvang van de kinderen – zoals bij detentie – op zijn plaats.

We juichen de aanpak toe, dat 1 zorgverlener met 1 plan het aanspreekpunt wordt en dat hij vanuit zijn positie de deskundigheid aandraagt en bijdraagt voor de juiste aanpak. Hij is ook degene die op deze manier ter verantwoording geroepen kan worden. Hopelijk krijgen we dankzij de nieuwe opzet geen overbodige discussies of geen verwarrende tegenspraken meer. Ook kan het shopgedrag van de cliënt voorkomen worden. Een cliënt kan een daadwerkelijke aanpak niet ontlopen, ook al is soms voor hem een niet prettige oplossing noodzakelijk. Het werkelijk aanpakken, het zelfredzaam maken houdt ook in, dat de hulpverlener zich overbodig maakt. Dit kan tenslotte zelfs zijn baan kosten. In ieder geval wordt van de jeugdzorgverlener een cultuuromslag verlangd.

Van belang is een duidelijk beleid met een eveneens duidelijke visie over wat we bereiken willen, niet alleen financieel maar ook inhoudelijk. Het blijft voor ons daarom de vraag hoe kunnen de effecten van de jeugdzorg beoordeeld worden? Of blijft het bij wij vragen en zij draaien en we zien de rekening wel?